woensdag, 07 maart 2007

 vuurtoren . . .baken van licht

 

Zeelieden waren vroeger afhankelijk van bakens op de kust voor het uitstippelen van hun route. Vandaag de dag beschikt een zeeman over verschillende middelen om zijn positie en route te bepalen. Hij heeft moderne navigatiesystemen als het kompas, de radar, navigatieberichten, weerberichten en gegevens over getijde en stroming tot zijn beschikking.

Dat wil niet zeggen dat de vuurtorens geen enkele functie meer hebben. Ze zijn nog steeds een ideaal herkenningspunt en vormen een controle op de plaatsbepalingapparatuur aan boord. Vooral de recreatievaart maakt hiervan nog steeds gebruik.

Zowel overdag als ’s nachts moeten vuurtorens duidelijk herkenbaar zijn voor de scheepvaart. Bij duisternis gebeurt dit doordat elke vuurtoren zijn eigen lichtritme (karakter) heeft. Overdag zijn ze herkenbaar door hun opvallende kleuren en een eigen patroon.

 

Al bij de Egyptenaren maakte men gebruik van vuurbakens. Zij waren ook de eersten die een vuurtoren bouwden. Beroemd is de Pharos van Alexandrië (280 voor Christus). Hij werd beschouwd als één van de zeven wereldwonderen.

Het waren de Romeinen die aan de kusten van Noord-Europa de vuurtorens introduceerden. De eerste exemplaren waren meestal geen torens maar grote, op een heuvel of duin gestookte vuren. De gloed van de vuren kon zelfs in mistige nachten gezien worden. Later maakte men gebruik van lantaarns waarin kaarsen geplaatst werden.

 

In 1810 ging men over op olielampen. De kaarsen en de olie moesten tegen de wind afgeschermd worden. Het nadeel was dat de ruiten snel met roet bedekt werden. In 1784 werd dit probleem opgelost door de Zwitser Ami Argand. Hij vond een rookloze lamp uit, die bestond uit twee smalle koperen buizen, de één binnen de ander, met een ronde lampenkous er omheen. Argand-lampen maakten vooral in de vuurtorenverlichting grote ontwikkelingen mogelijk.

In 1790 werd het eerste draaiende vuurtorenlicht ter wereld in Cordouan geplaatst. Dit leidde tot de uitvinding van het lichtflitsensysteem op bepaalde ritmes (karakter) waardoor verwarring met andere vuurtorenlichten wordt voorkomen.

De nieuwste ontwikkeling is de automatisering. Moderne “lichttorens” worden vanuit een kuststation bediend. Speciale klokken schakelen het licht in als het donker wordt en uit als het weer begint te dagen. Deze torens moeten slechts nu en dan geïnspecteerd worden. Ze hoeven niet meer dag en nacht bemand te worden door vuurtorenwachters.

In de negentiende eeuw waren de vuurtorens nog uitgerust met stilstaande lichten. Op zee kon je dus niet zien met welke vuurtoren je te maken had. Gecombineerd met het feit dat de meeste lichtbronnen niet zo krachtig waren leidde dit soms tot fatale aanvaringen. Nu heeft iedere vuurtoren een eigen licht "karakter". Dit is een patroon waarin het rondschijnend licht wordt onderbroken door donkere perioden. Er is een onderscheid tussen schitterlicht (langer donker dan licht) en onderbroken licht (langer licht dan donker).

Het licht van een vuurtoren moet de hele nacht branden en helder zijn. De eerste lichtbronnen waren van hout- en kolenvuren. Nadelen van deze vuren waren de rookontwikkeling en het feit dat het licht in helderheid toe- en afnam. Met de uitvinding van de Argandse lamp kwam er een einde aan dit probleem. Dankzij deze olielamp kreeg men een rookvrije en constante lichtbron. Dit bood de mogelijkheid om achter de lamp een holle spiegel te plaatsen en zo het licht te bundelen.

Een tweede belangrijke ontwikkeling was de uitvinding van Augustin Fresnel. De Fresnel-lens is een getrapte lens die uit afzonderlijke vlakjes bestaat in plaats van uit één dikke lens. Hierdoor kon het licht nog verder geconcentreerd worden. Door meerdere lenzen rond een lichtbron te plaatsen konden zelfs meerdere lichtbundels worden gevormd. Wanneer je dit lenzenstelsel laat draaien, ontstaat het kenmerkende beeld van de rondzwaaiende lichtbundels dat wij kennen van de vuurtorens. In de loop van de jaren werd deze techniek verfijnd.

Lichtwachters hebben zich moeten aanpassen aan verschillende technische ontwikkelingen: van het eenvoudige “vuurtje-stoken” tot het gebruik van hoog technologische hulpmiddelen. Wat steeds hetzelfde bleef was het gebod: trouw op post.

Het werk van de eerste vuurtorenwachters was bijzonder zwaar. Het bestond vooral uit het aanslepen van brandstof en het onderhouden van het vuur. Met de komst van de Argandse lamp, kreeg de vuurtorenwachter het wat makkelijker. Tot zijn taken behoorden het onderhouden van de lamp en het schoonhouden van het systeem van spiegels en lenzen. De vuurtorenwachter woonde vaak vlakbij de toren en het beroep ging over van vader op zoon.




Tegenwoordig is dit niet meer zo. Het aantal vuurtorenwachters is sterk afgenomen omwille van financiële besparingen. De meeste vuurtorens werken nu volledig automatisch. De hedendaagse lichtwachters houden zich vooral bezig met de kustwacht.





20:44 Gepost door johan in geschiedenis van vlaamse visserij | Permalink | Commentaren (0) | Tags: vuurtoren, geschiedenis, noordzee, zee, strand, licht | |  del.icio.us | | Digg! Digg |  Facebook | |  Print |

De commentaren zijn gesloten.