donderdag, 08 maart 2007

kaakloze vissen

 

 

Kenmerkend voor de Agnatha (a=zonder gnathos = kaak) is de afwezigheid van kaken. Daarom worden ze ook wel Kaakloze vissen genoemd. Zij ontstonden in het Ordovicium (ca. 500 miljoen jaar gelden). Hun bloeitijd kenden zij in het Siluur. Deze primitieve vissen leefden in zoet water en hadden een ontwikkeld skelet en spieren. De tandjes die als fossielen zijn teruggevonden (zgn. Conodonten, zijn mogelijk van deze kaakloze vissen afkomstig.

Het ontbreken van kaken vereist natuurlijk speciale aanpassingen voor het opnemen van voedsel. Hiertoe ontwikkelden de eerste Agnatha een extra groot kieuwsysteem. Net als de hedendaagse lancetvisjes filterden ze waarschijnlijk voedseldeeltjes uit het water dat door de kieuwen stroomde. Het lichaam van de meeste Agnatha wordt bedekt door een uitwendig beenpantser. Veel soorten hadden ook een benig kopschild. Van een inwendig skelet is bij de fossiele Agnatha weinig tot niets bekend. Mogelijk bestond het uit kraakbeen, maar waarschijnlijk bezaten ze alleen een chorda dorsalis: een elastische staaf die van de kop naar de staart liep. De Agnatha hadden geen vinnen. Enkel het verlengde van de ruggengraat (chorda dorsalis) had iets wat op een vin leek. Zij kropen langs de zeebodem om voedsel uit de modder te halen. 
Ze hadden maar één neusgat en twee ogen.

 

18:29 Gepost door johan in abc van de vis | Permalink | Commentaren (0) | Tags: vis, prehistorie, geschiedenis | |  del.icio.us | | Digg! Digg |  Facebook | |  Print |

De commentaren zijn gesloten.