maandag, 24 september 2007

bijgeloof visserij vervolg . . .

Albatros
Sinds onheugelijke tijden beschouwen zeelui het doden van een albatros als het afroepen van ongeluk over het schip en haar bemanning. Samuel Coleridge heeft dit bijgeloof wereldberoemd gemaakt met zijn "Rime of the Ancient Mariner".
Er is ook een andere verklaring. Het gerucht gaat dat de assistent van de navigator van de Titanic luisterde naam de naam "Albert Ross". Het zou enkele decenia later niet ongebruikelijk zijn om na een scheepsramp te zeggen: "Het was een Albert Ross". Verwarring tussen de naam van de assistent en die van de zeevogel zou het verder moeten verklaren.
Maar er waren vroeger schijnbaar ook zeelui die de albatros niet vreesden. Het vel tussen de lange tenen van de albatros werd vaak gebruikt om tabakszakken van te maken.

-Anker
Dit onmisbare stuk uitrusting staat in de beleving van vele zeelieden voor hoop en een behouden thuiskomst. Het komt dan ook veelvuldig voor als tatoeage, in houtsnijwerk en op wapenschilden.
Wanneer een anker als decoratie wordt opgehangen, mag het nooit ondersteboven hangen, om dat dan het geluk er uit loopt (net als bij hoefijzers).

-Bezems
Behalve om het dek mee te bezemen heeft dit gereedschap nog veel meer toepassingen.
Zo kan een bezem in de top van de mast hijsen om zo een gunstige wind te krijgen. Men kan hem ook op het dek leggen, met de steel in de richting waarvan de wind moet komen. Als een bezem in het water gehouden wordt gaat het regenen. Wordt hij verbrand, dan komt er storm...
De beste bezems, zijn die waar de kerk mee geveegd wordt. Deze zullen regelmatig vlak voor er schepen uitvoeren "verdwenen" zijn.

-Boegbeelden
In de oudheid hadden boegbeelden meerdere functies. Uiteraard was (en is) een boegbeeld een manier om de welgesteldheid van de eigenaar tot uitdrukking te brengen. Ze waren dan ook vaak verguld en/of prachtig geschilderd en uitstekend bijgehouden. Daarnaast was het boegbeeld een uitdrukking van de bezieling van het schip. Schepen werden beschouwd als levende wezens. Een reden te meer om het boegbeeld niet te verwaarlozen. De Phoeniciers offerden vaak bloed of meteen maar een hele slaaf bij de tewaterlating van het schip. Een gebruik dat we vandaag de dag nog terug zien in de fles champagne die tegen de boeg wordt geslagen. Een andere voorzetting van het boegbeeld ziet men in de decoratie op de moterkap van dure auto's zoals de Mercedes of mooier nog: de engel op de Rolls Roys

-De Dood
Iedere kapitein vreesde het overlijden van een bemanningslid op zee. De begravenis op zee is niet voor niets zo'n spectakel. Als het bekend zou worden dat er ook maar iets niet goed uitgevoerd zou zijn tijdens de dienst, zou het wel eens onmogelijk kunnen worden een nieuwe bemanning te ronselen. Men geloofde namelijk dat de ziel van de overledene het schip als laatste rustplaats zou kiezen en uiteindelijk iedereen met zich mee de dood in zou nemen.

-De Duivel
Op een schip mag nooit over de Duivel gesproken worden. Dat zou zijn aandacht kunnen trekken ("Als je over de duivel spreekt, trap je op zijn staart"), met vreselijke gevolgen. Daarom gebruikten engelstalige zeelui de term "Davy Jones" om de ongenoemde mee te benoemen. Nederlandse zeerotten spraken van "Joost"; u weet wel "die mag het weten".

-Heksen
Zoals bekend hebben heksen als beloning voor hun omgang met de duivel allerlei bijzondere gaven verkregen. Een van de meest genoemde is de macht over het weer. Boosaardig als heksen natuurlijk zijn, lieten ze voor de lol schepen vergaan in vreselijke stormen. In 1716 werden bijvoorbeeld twee vrouwen gearresteerd omdat ze hun voeten in het water hielden: volgens de autoriteiten duidelijk een poging tot het opwekken van storm.

-Kat
Over katten gaan de meest uiteenlopende verhalen.
In de gouden eeuw en later zag men katten als heksen in diervorm en die heksen maken stormen, dus verdween de kat al gauw overboord na ontdekking.
De Persen en de oude Egyptenaren zagen de kat als een godheid, die geluk bracht tijdens de reis.
Chinese bronnen melden dat in de golven katachtige demonen wonen die stormen voortbrengen en met toverformules tot rust gebracht moesten worden.
In de klassieke oudheid zou was de kat nuttig om aan boord te hebben omdat hij het weer kan voorspellen.

-Messen
Ouwe zeerotten hadden vaak hun leven lang hetzelfde mes en beschouwden het als een talisman. Je mes kwijtraken werd uitgelegd als een zeer slecht omen. Praktisch gezien was je zonder mes in groot gevaar in een omgeving waar je ieder moment vast kon raken tussen de touwen. Dus ook zonder bovennatuurlijke verklaring, had de zeeman alle reden voor zijn leven te vrezen zonder mes op zak.
Daarnaast kon het mes gebruikt worden om gunstige wind op te roepen, door hem in het juiste kwartier van de mast te steken.

-Priesters
Hoewel men het in de oudheid het als ongehoord beschouwde zonder priester aan boord uit te varen, was het in de zeventiende eeuw bijzonder ongewenst. Waar de priester eerst nodig was om de zeegoden te overreden het schip te sparen, werd hij later bezien als iemand die te veel met de doden omging.

-Ratten
Vreemd genoeg werden ratten aan boord als een gunstig voorteken beschouwd. Zeelui vonden het amusante huisdieren, die het weer konden voorspellen en een vlezige aanvulling vormden op het karige menu. Pas wanneer de ratten en masse het schip verlieten, diende men zich zorgen te gaan maken.

-Vrouwen
Het zou ongeluk brengen als men op weg naar het schip, klaar om weg te zeilen, een vrouw tegen zou komen met een wit kapje of op blote voeten. Volgens anderen zou iedere vrouw al pech brengen.
Een vrouw aan boord van een visserschuit of een marineschip zou al helemaal een garantie voor rampen zijn.
Maar een naakte vrouw aan boord, was weer ideaal om de wind te kalmeren.
Zwangere vrouwen konden nooit geen kwaad.

-Zwemmen
Over zwemmen doen verschillende verhalen de ronde.
Allereerst en meest populair zou zwemmen gevaarlijk zijn omdat het de geesten van de water hongerig maakt naar de zwemmer, die dan ook aan boord voor zijn leven zou moeten vrezen (een hoge golf kan genoeg zijn).
Een verklaring voor de afkeer van het leren zwemmen, is dat het in een hopeloze situatie midden op de oceaan beter is snel te verdrinken (wat een zachte dood heet te zijn) dan na een lange zinloze strijd.
Maar als men dan toch gaat zwemmen, mag men nooit eerst de voeten in het water laten; altijd het hoofd eerst.
Helemaal naakt zwemmen zou zelfs geluk brengen.
Maar het meeste geluk brengt het als men een naakte vrouw ziet zwemmen (behalve als het een zeemeermin is natuurlijk, want dat is dan weer een doodstijding)


13:07 Gepost door johan in geschiedenis van vlaamse visserij | Permalink | Commentaren (0) | Tags: visserij, bijgeloof, noordzee | |  del.icio.us | | Digg! Digg |  Facebook | |  Print |

geloof en bijgeloof visserij

Lapnamen

De vissers hadden een grote schrik voor de zeeduivel Roeschaard die plots uit zee kon opduiken om hen in zee te sleuren, hun boot te doen kapseizen, de netten te scheuren... Roeschaard kon alle mogelijke gedaanten aannemen als een oude vrouw, zwarte kat of vogel, duivel... Een van de meest typische gedaanten was een grote kwade kabeljauw... Om Roeschaard te misleiden kregen de vissers als lavertje (leerjongen) een nieuwe naam (lapnaam). Wanneer de zeeduivel dan plots voor hen verscheen en vroeg : “Ben jij visser X ?”, antwoordde de visser dan : “Neen, ik ben Y (lapnaam)”. Roeschaard dacht toen dat hij de verkeerde voor had en verdween.

Die bijnaam of lapnaam werd op de eerste zeereis gegeven door de schipper. Hij besprenkelde de nieuweling met zeewater en zei : “Ik doop u en de Roeschaard, die lelijkaard, kere zich om, domme, dom, dom. Uw naam is Y (lapnaam)”. De keuze van de bijnaam gebeurde door de schipper die zich soms liet inspireren door de fysieke kenmerken van de laver (vb. Grauwen, Neuze, Witten,...) of door andere eigenschappen (bijvoorbeeld Dullen, Artiest, Kontent...). Van heel wat lapnamen is de herkomst echter moeilijk te achterhalen.

Het geven van een bijnaam had niet alleen een bijgelovige betekenis, maar had ook een praktisch nut. De Heistse vissersbevolking bestond slechts uit een beperkt aantal grote families (vb. Van Torre, Vandierendonck, Savels,...) zodat dezelfde namen dikwijls voorkwamen. Om een bepaalde visser gemakkelijk te identificeren sprak men hem aan met zijn bijnaam. Bepaalde bijnamen waren dan ook eigen aan dezelfde familie (bijvoorbeeld Kavijacks, Foks...) en namen de vorm aan van een familienaam (vb. de Schelen van Foks). Dat ging verder van vader op zoon en zo kreeg men gecombineerde namen als Louis van de Schelen van Foks. Hoewel men in Heist nog vele bijnamen kent, sterft het gebruik toch snel uit.

 

Bijgeloof

Vrij gesloten gemeenschappen als het vissersmilieu kennen meestal een hele reeks eigen gebruiken en rituelen. Als die bevolkingsgroep in haar dagelijks bestaan dan nog in sterke mate afhankelijk is van het (nood)lot en voortdurend wordt geconfronteerd met grote natuurkrachten en rampen, brengt dit een rijke volkskundige traditie met zich mee.

Hoewel de vissers meestal zeer gelovig waren (vb. vissersbedevaarten, eigen heiligen, processies, zeewijding, wijding van een nieuwe boot,...) voelden zij nog de nood aan andere krachten om het geluk op te roepen en het ongeluk te bezweren of te verklaren.
Onder die gebruiken vinden we een aantal die algemeen verspreid zijn (vb. morsen van zout, zwarte kat, nr. 13 of vrijdag de dertiende,...) maar ook verscheidene die typisch zijn voor het vissersmilieu (vb. verhalen over spookschepen, zeemeerminnen,...)

Verschillende gebruiken hebben een heidense (vb. hout als geluksbrenger) of een christelijke oorsprong (vb. gebruik van nagel van een paarskaars). De gebruiken werden eeuwenlang overgeleverd en kennen varianten langs de Vlaamse kust. Een aantal gebruiken en voorwerpen zouden het hoognodige geluk brengen en het noodlot tegengaan. De visser had dat gelukkig toeval nodig voor een behouden vaart en een goede vangst. Daarentegen kenden de vissers een hele reeks onheilspellende voortekens die wezen op scheepsrampen, grote stormen of een reis met een kleine vangst.

De moderne visser spreekt niet graag over het bijgeloof aan boord. Niettegenstaande de bijgelovige traditie nog bestaat, is die vanaf het einde van de Tweede Wereldoorlog sterk achteruitgegaan en zal die binnenkort wel helemaal verdwijnen.

 

Geluksbrengers

Zowel de geluksbrengers als de ongeluksbrengers zijn te verdelen onder ontmoetingen met mensen en dieren, voortekens en voorwerpen.

Een haan was een goed voorteken. Bij het tewaterlaten van een nieuwe vissersboot of bij de ingebruikname van een nieuw net, werd dan ook een haan gegeten. Het roepen van een koekoek bij het vertrek op zee was de voorbode van een zeer goede vangst. En kippen aan boord waren ‘windbrengers' die de nodige wind in de zeilen bracht. Wanneer de visser op weg naar zijn schip een kudde schapen kruiste, was dat een goed voorteken.

Een vrouw van lichte zeden ontmoeten op weg naar de boot betekende een goede vangst. Men moest er dan wel bijnemen dat de visser zijn ziel verkocht aan de duivel. Ook de ontmoeting met een man in uniform (vb. politieagent) zou geluk brengen. En wanneer de koning aan boord was gekomen, zou het schip een voorspoedig bestaan kennen en vele mooie vangsten aan wal brengen.

Het gebed was belangrijk aan boord. Voor het vissen op sprot baden de vissers : ‘Och God, geef ons toch een sprotje, wij hebben het zo nodig voor ons kotje'. De vissers droegen ook dikwijls het bekende ‘Gebed van Keizer Karel', een heiligenprentje of een scapulier bij zich. De onderkant van de klompen werd soms beslagen met koperen spijkers in de vorm van een kruis. Om bescherming af te smeken werd onder de mast een paasnagel verborgen. Soms werd een gewijd palmtakje of een O.-L.-Vrouwbeeldje in het net verborgen of aan de mast bevestigd.

Traditionele geluksbrengers zijn een stukje hout, een hoefijzer, een mollen- of een reigerpoot, een wilde kastanje,... Door het werpen van enkele muntstukjes in zee zou een goede vangst of een goede wind kunnen worden afgekocht. Een Sint-Jakobsschelp of een dondersteen zouden het onweer weghouden.

Vele vissers droegen één oorring. Die zou hoofdpijn en een verminderd gezichts- en gehoorvermogen tegengaan. Het praktisch nut was dat de visser steeds iets waardevol bij zich droeg als zijn schip zou vergaan en hij op een onbestemde plaats zou belanden.

Wanneer men een rechterschoen of -laars opviste bracht dat geluk en de schoen werd aan de mast bevestigd. Linkerschoenen werden teruggegooid.

 

Ongeluksbrengers

De vissers hadden een onzeker bestaan en geloofden dan ook zeer in allerlei slechte voortekens.

Heksen, duivels en toverknollen konden de gedaante aannemen van een zwarte kat, een wolf, een zwarte vogel... Wanneer men een van die dieren zag betekende dat dat er onheil op komst was. Ook mocht men over die dieren aan boord niet spreken want dan zou men ze oproepen. Ook het ontmoeten van een varken (onrein dier) op weg naar het schip betekende niet veel goeds. Het knippen van baard en haar was verboden aan boord, zelfs het spreken over een haarkapper of het aan boord brengen van een hond met veel haar, omdat haar in verband werd gebracht met heksen. Indien die het haar van iemand konden bemachtigen zouden zij hun magische kracht tegen die persoon gebruiken. Ook over messen en scharen mocht niet worden gesproken.

Tabak en tabaksgeur zouden de vis verdrijven. Het ontmoeten van een pastoor, een non, een gehandicapte of een oude vrouw voorspelde weinig goeds. De zwarte kledij van nonnen en pastoors zou een slecht voorteken zijn. Bovendien wekten die personen de woede op van de zeeduivel die zich op de vissers zou wreken. Oude vrouwtjes werden dikwijls in verband gebracht met hekserij.

Op zon- en feestdagen mocht zeker niet worden gevist want dat bracht ongeluk. Een van de kinderen zou met een vissenkop worden geboren. Wie op Driekoningen (Dertienavond) uitvoer riskeerde vissen met drie koppen te vangen en op Allerheiligen en Goede Vrijdag zou men doodshoofden vangen. Als men op Nieuwjaar viste, zou men een slecht jaar tegemoet gaan. Als men een bezem tegen de reling zette, zou de gevangen vis van boord worden geveegd. Soms bond men wel een bezem op de top van de mast om te verhinderen dat (zwarte) vogels op de mast zouden neerstrijken. Aan boord mocht de visser geen vis meenemen (men ging vis vangen) en ook geen lang brood aangezien dat een lange reis voorspelde. Een rozijnenbrood zou grote gaten in de netten met zich meebrengen.

12:58 Gepost door johan in geschiedenis van vlaamse visserij | Permalink | Commentaren (0) | Tags: bijgeloof, visserij, noordzee, gellof, geliuksbrenger, talisman | |  del.icio.us | | Digg! Digg |  Facebook | |  Print |

1 2 3 4 5 6 7 8 Volgende