donderdag, 08 februari 2007

schelvis

 

Benamingen
Nederlandse naam: Schelvis
Latijnse naam: Gadus aeglefinus (of Melanogrammus)
Franse naam: Aiglefin, églefin
Engelse naam: Haddock
Duitse naam: Schellfisch

Uiterlijke kenmerken
Schelvis behoort tot de familie van de kabeljauwachtigen (Gadidae) zoals de kabeljauw, de wijting, de pollak, de steenbolk, de koolvis en de blauwe wijting als meest gekende soorten. Opvallend bij het uitzicht van schelvis is een zwarte vlek aan beide flanken onderaan de zijlijn en achter de kieuwen. Die vlek wordt soms de heilige Petrusduimdruk genoemd.
Op een leeftijd van 1 jaar bedraagt de lengte gemiddeld 18 cm en op 2 jaar rond de 30 cm. Uitzonderlijk kan schelvis ongeveer 14 jaar oud worden. Hoewel hij tegenwoordig uitzonderlijk tot 80 cm kan doorgroeien is het grootste gedeelte van de aanvoer gelegen tussen 40 en 50 cm.Toch zijn enkele recordvangsten genoteerd : de Noor Collet rapporteerde in 1902 een schelvis van 110 cm en de Brit Day meldde in zijn boek een schelvis in de Baai van Dublin van 92 cm lang met een gewicht van 19 kg!

Voorkomen
De visgronden van schelvis situeren zich in hoofdzaak aan de Europese kusten van Rusland, rond IJsland, de Barentszee, rond de Faer(ereilanden, ten westen van Noorwegen en Schotland, de Keltische Zee, de Ierse Zee en het noordelijk gedeelte van de Noordzee op diepten schommelend van 10 tot 450 meter, maar vooral tussen 80 en 200 meter. Ook in de Canadese wateren (Cape Cod en Nova Scotia) wordt behoorlijk veel schelvis gevangen.
De visgronden betreffen zowel rotsachtige bodems als gebieden met een zand- en grindbodem. De schelvis zwemt vooral in zeewater met temperaturen tussen 4 °C en 10 °C.
De jonge leeftijdsgroepen bevinden zich in hoofdzaak in de kustgebieden van Moray firth, en rond Orkney en de Shetlands. De volwassen stand komt vooral in het centrale gedeelte van de noordelijke Noordzee voor.
Tot in de 19e eeuw kwam schelvis in de wintermaanden nogal eens langs de Belgische kust voor tot zelfs in de Schelde. Dit wordt bevestigd door bioloog Ed. De Selys Longchamps in 1842. Andere wetenschappers bevestigden later, zoals P.J. Van Beneden in 1871 en A. Lameere in 1895. Op dit ogenblik is dit niet meer zo en ontbreekt de schelvis zelfs volledig in de zuidelijke Noordzee.

Wereldaanvoer van schelvis (Fao Fishery Statistic).
Wereldtopaanvoeren werden tussen 1969 en 1970 genoteerd met een omvang die reikte aan de 1 miljoen ton. Dit was het gevolg van het grootste ooit genoteerde broed van 1967 (zie verder) De laatste tien jaar werd op wereldvlak zo ongeveer 300 duizend ton aangevoerd. Door vangstbeperkingen is dit cijfer gedaald sinds 2004. Engeland (Schotland) is met 35 % het belangrijkste visserijland voor schelvis. Daarna komen Rusland en Noorwegen (elk voor 20%). Verder komt de schelvisaanvoer in het noordoostelijk gebied van de Atlantische Zee uit IJsland (10%), de Faer(ereilanden (5%) en ten slotte Frankrijk en Denemarken (elk 3%). In het noordwestelijk gedeelte van de Atlantisch gebied is het voornamelijk Canada (8%) dat hoog scoort.
De Schotse visserij gebeurt door bodemvisserij met de borden en door lijnvisserij. Door de strenge quota op kabeljauw is de Schotse vloot zich verder gaan concentreren op schelvis. Ook "Pair trawling" (twee vaartuigen, één net) is toegenomen.
In hoofdzaak is de aanvoer bestemd voor directe menselijke consumptie (vers, diepgevroren, gerookt en in blik). Een deel wordt echter ook aangewend voor de productie van vismeel.

Belgische aanvoer van schelvis
De aanvoer in België ligt momenteel rond de 400 ton per jaar. De grootste aanvoer van schelvis is voornamelijk gelegen in de periode juli tot oktober. De boomkorvisserij is het belangrijkste vlootsegment op schelvis.
Het totaal aanbod is goed voor een besomming van ongeveer een kleine 700.000 euro. De marktprijs voor schelvis schommelde de laatste jaren rond de 1.30 euro. De quota zijn in de loop der jaren fel gedaald : van 2270 ton in 1986 tot 634 in 2006. (Bron: Ministerie van Landbouw- Dienst Zeevisserij)

Ontwikkeling van de vis
Vanaf een lengte van ongeveer 40-45 cm is de schelvis geslachtsrijp, hetzij bij een leeftijd van ongeveer 4-5 jaar. 's Winters trekt hij naar diepe paaigronden in de noordelijke Noordzee, bij Noorwegen en IJsland. Hij paait er dan tussen maart en juni.
Schelvis wordt gekenmerkt door een afwisseling voor grote en kleine bestanden doorheen de jaren. Sommige jaren overleeft een zeer groot aandeel van de jonge larfjes en visjes, wat leidt tot extreem grote bestanden na vijf jaar (tot tien keer het gemiddelde).

Eetgedrag
Schelvis is een typische omnivoor (alleseter).
In de jeugdfase eet de schelvis in hoofdzaak plankton (dus ook haringeieren), later wordt dat hoofdzakelijk een serie van bodemdiertjes, zoals garnaalachtigen, tweekleppigen en wormen.

Voedingswaarde per 100 g
Energie : 334 kJ / 80 kcal
Eiwitten : 18,2 g
Vetstof : : 0,6 g
Verzadigd : 0,1 g
Enkelvoudig onverzadigde vetzuren. : 0,1 g
Meervoudig onverzadigde vetzuren : 0,4 g

Schelvis is een magere vis (slechts 0.6% vet).

Bereidingen
Schelvis wordt aan de consument gepresenteerd als vers, volledig of in filet, diepgevroren, koud gerookt en zelfs ingeblikt. Soms wordt een deel van de schelvisvangst verwerkt tot vismeel.
De smaak is excellent en vooral in Schotland wordt hij bijzonder hoog aangeslagen. Daar wordt hij o.a. gerookt, een heerlijke lekkernij.

19:45 Gepost door johan in abc van de vis | Permalink | Commentaren (0) | Tags: schelvis, vis, noordzee | |  del.icio.us | | Digg! Digg |  Facebook | |  Print |

harder of zeebaars ?

Dunlip- en diklipharders

Harders zijn bestand tegen brak en vervuild water (strandmeren, riviermondingen en havens). Er zijn verschillende soorten harders. In Europa komen er wel 8 verschillende soorten voor, maar de harder die we in de Oosterschelde zien is de diklipharder (Chelon labrosus). Heel uitzonderlijk kan men de dunlipharder (Liza ramada) in Zeeland waarnemen. Het verschil tussen de dik- en dunlipharder is o.a. duidelijk te zien aan de onderkant van de bek, maar daarvoor moet je hem bijna in je handen kunnen houden. En dat kan je wel vergeten tijdens je duik.

Het meest opvallendste verschil tussen beide harders is dat de dunlipharder een zwarte vlek op de basis van de borstvin heeft. Verder heeft de dunlipharder een grijsblauwe rug. De flanken zijn zilverachtig met grijze lengtestrepen en de buik is zilverwit.
De diklipharder dankt zijn naam aan de dikke bovenlip, die hoger is dan de straal van zijn oog. De bek is klein en de bekopening komt bij lange na niet tot de voorste rand van het oog. De rug is donkergroen tot blauwgroen, de flanken zijn zilverachtig met duidelijke donkergrijze lengtestrepen (een 7 tot 8-tal). De buikzijde is zilverwit.

Harders hebben twee rugvinnen die niet tegen elkaar aansluiten. De voorste rugvin heeft vier stralen.

De diklipharder wordt 50 tot 75 centimeter groot (max. 90 cm). Zijn gewicht bedraagt 2 tot 4 kg (max. 8 kg).

De "Commissie Europese Gemeenschap voor Visserij" maakt geen onderscheid tussen de 8 verschillende Europese soorten harders. Lokaal wordt de harder wel eens herder genoemd.

In de lente trekt de harder naar het noorden, op zoek naar voedsel, en trekt hierbij de zeearmen en havens binnen. In de herfst trekt hij terug naar het zuiden. Hij voedt zich met organische deeltjes (detritus) die in de modder zitten en afkomstig zijn van dierlijke en plantaardige resten. Hij graast als het ware de bodem af en wordt daarom wel eens planteneter of algeneter genoemd. Maar dat is niet helemaal juist. Tijdens het grazen verorbert hij immers ook kleine, op de bodem levende diertjes. Zelfs kleine visjes die voorbij zwemmen versmaadt hij niet.

Tijdens het grazen hapt de harder zand naar binnen, samen met water. Hieruit filtert hij de eetbare organismen, via dicht bij elkaar staande kieuwdeksels, en spuwt de rest (het zand) terug uit. Daarna gebruikt de harder zijn tanden in de keelholte om de laatste druppels water uit de voedselprop te drukken. Het voedsel wordt verteerd in een gespierde maag met dikke wanden en in een darm van indrukwekkende lengte. Volwassen harders eten dag en nacht. Voortdurend gaan ze met hun bek over de bodem; de kop vormt daarbij een hoek van ongeveer 45 graden met de ondergrond. De jonge vissen voeden zich voornamelijk met zoöplankton (dierlijk plankton). Dit doen ze overdag, want ze hebben er licht bij nodig.

Zeebaars

De zeebaars (Dicentrarchus labrax) die bij ons voorkomt wordt in het Engels "European seabass" genoemd. In sommige boeken noemen ze deze zeebaars de "wolfbaars". Soms wordt de zeebaars, met lucratieve bedoeling, "witte zalm" genoemd. De zeebaars is een waardevolle en zeer smakelijke consumptievis die ook enorme waarde heeft in de medische sector (vooral de ingewanden hebben medische waarde). Hij komt veel voor - in kleine scholen - boven modder-, zand- en rotsbodem, maar ook verscholen in wrakken. Ook dringt hij het brakke water binnen van estuaria (wijde riviermondingen).

Zeebaarzen paaien in de vroege zomer, in de kustwateren. Het zijn vraatzuchtige roofvissen. Jonge vissen voeden zich met schaaldieren, wormen, kleine bodemvissen en inktvissen. Oudere dieren jagen vooral op vis.

De zeebaars wordt 40 tot 80 centimeter lang, uitzonderlijk 1 meter (bij een gewicht van 10 kg). Hij is direct te herkennen aan de twee rugvinnen die aansluiten tegen elkaar. De eerste rugvin telt 8 tot 9 flinke stekels. Meestal ligt de eerste rugvin plat als hij ons voorbij zwemt. Op het kieuwdeksel heeft hij een donkere vlek, die echter niet altijd duidelijk waar te nemen is. De onderrand van het kieuwdeksel is gestekeld. De vis is volledig zilvergrijs tot blauwachtig zilver; de rug is grijsachtig, de flanken zijn zilverkleurig en de buik is zilverwit. Op zijn flank heeft hij in de lengte een zijlijn. Jonge exemplaren vertonen zwarte stippen.

19:26 Gepost door johan in abc van de vis | Permalink | Commentaren (0) | Tags: harder, zeebaars, noordzee, zee, vis | |  del.icio.us | | Digg! Digg |  Facebook | |  Print |