donderdag, 25 januari 2007

kokkel

 

Cerastoderma edule / Kokkel

 

Cerastoderma edule (Linnaeus, 1758)

Nederlandse naam:
Kokkel

Beschrijving:
Tweekleppig schelpdier. De schelp is stevig, grijsbruin tot vuilwit van kleur. Lengte ca. 5 cm. De binnenkant is wit en heeft ca. 24 karakteristieke lengteribbels die uitlopen in stompe tanden op de rand van de schelp; tevens zijn groeiringen te onderscheiden.

Leefgebied:
Laag in het intergetijdengebied, ingegraven in zand, slib of fijn grind. Het is een zoutwatersoort, maar hij kan een zoutgehalte van 2 promille nog wel verdragen. Hierdoor vooral in de Waddenzee en in estuaria.

Verspreiding:
Atlantische Oceaan en randzeeën, van Noordoost-Noorwegen tot West-Afrika, en de Middellandse Zee.

Opmerking:
Er is een verwante soort, die veel verder in het brakke gebied voorkomt (tot een zoutgehalte van 0,4 %. Hij is iets kleiner dan de gewone kokkel, en iets 'schever'. Wetenschappelijke naam: Cerastoderma glaucum .
'Edule' betekent 'eetbaar', en deze soort is inderdaad een bekende en in sommige landen geliefde delicatesse. Ook in Nederland is een behoorlijke tak van de visserij gespecialiseerd op de kokkel. Er zijn nog enkele beroeps-handspitters, maar de meeste kokkels worden gevangen met behulp van grote schepen die de zandplaten waar ze voorkomen in voldoende dichtheid min of meer afgraven. Je kunt kokkels gekookt, gebakken of zelfs rauw eten; er zijn mensen die de buit eerst enige tijd (bijvoorbeeld in een blikje) in de grond stoppen, om hem dan pas klaar te maken als het rottingsproces al behoorlijk is voortgeschreden.

20:39 Gepost door johan in abc van schaaldieren | Permalink | Commentaren (0) | Tags: schelpdieren | |  del.icio.us | | Digg! Digg |  Facebook | |  Print |

japanse oester

 

Crassostrea gigas / Japanse oester

 

Crassostrea gigas Thunberg, 1793

Nederlandse naam:
Japanse oester

Beschrijving:
Hier stuiten we op een naamgevingsprobleem. De meeste boeken hebben het over de Portugese oester, soms wordt hij de Japanse oester genoemd. Maar er is ook een soort die C. angulata (of, met een recentere synoniem: Gryphaea angulata ) heet en Portugese oester genoemd wordt. Recente informatie duidt er op, dat het om één en dezelfde soort gaat.
Hoe het ook zij, we hebben hier opnieuw te maken met een in onze streken ingevoerde soort. Eerst bewust, aan het eind van de 19e eeuw vanuit Portugal naar Frankrijk, om daar gekweekt te worden. Vervolgens heeft hij zich verder uitgebreid naar het noorden, en komt nu ook op veel plaatsen in het wild voor. Maar men vermoedt, dat hij, langer geleden, ook in Portugal is ingevoerd. En wel - inderdaad - uit Japan, in de 16e of 17e eeuw met Portugese schepen die, zoals bekend, al heel vroeg hetPacifisch gebied verkenden.
In Nederland is hij bewust in de Oosterschelde ingevoerd, omdat het niet best ging met de kweek van de platte Zeeuwse oester (Ostrea edulis ). De Japanse oester kan goed tegen strenge winters, maar kan zich alleen voortplanten als de zomers warm zijn. In de ons direct omringende landen plant hij zich inderdaad vrijwel niet voort. Daarom dacht men, dat de uitbreiding van deze potentiële concurrent van de gewone, de platte zeeuwse, wel in de hand te houden zou zijn. Helaas: de jaren 1987-1990 kenden zachte winters en warme zomers, en door de beschutte ligging van de Oosterschelde was het water daar nog eens een extra graadje warmer. De nieuwkomer breidde zich snel uit, en bedekte al gauw hele stukken dijk, vooral in het oosten van de Oosterschelde. Hij neemt plaatsen in waar de veel duurdere platte Zeeuwse zou kunnen zitten en hij eet het plankton op waar die andere van zou moeten leven. En hij kan wel 30 jaar worden! Een voorbeeld van een plaagsoort, die de kans kreeg door een inschattingsfout.
De Portugese oester is langwerpig ovaal, vaak zit er ook een kleine bocht in. Lengte tot meer dan 20 cm, breedte 7 cm. De linkerklep is plat en de schelp zit met deze zijde vastgehecht op de ondergrond; de rechter sterk geribbeld (concentrische ribbels), en diverse lagen in de schelp zijn zichtbaar. Hij maakt een zeer grove, sterke indruk, maar heeft een tamelijk breekbare, onregelmatige rand. Kleur hoofdzakelijk bruin, binnenin wit.

Leefgebied:
Intergetijdengebied en ondiep water, op stenen en rotsen.

 

20:37 Gepost door johan in abc van schaaldieren | Permalink | Commentaren (0) | Tags: schelpdieren, oesters | |  del.icio.us | | Digg! Digg |  Facebook | |  Print |