donderdag, 25 januari 2007

strandschelp

Spisula subtruncata / Halfgeknotte strandschelp

 

Spisula subtruncata (Da Costa, 1778)

Nederlandse naam:
Halfgeknotte strandschelp

Beschrijving:
Dit tweekleppige weekdier heeft een dikke en sterke schelp. De maximale lengte is ca. 3 cm. De vorm is driehoekig, maar asymmetrisch. De top is afgerond en de achterkant loopt taps toe, soms met een extra bocht in de schelp-oppervlakte. De kleur is vuilwit tot crème-kleurig, de opperhuid is grijsbruin.

Leefgebied:
Onder de laagwaterlijn. Ingegraven in fijnzandige bodems met veel slib.

Verspreiding:
Van Noorwegen tot West-Afrika en de Canarische Eilanden. Ook in de Middellandse Zee.

Opmerking:
Belangrijke voedselbron voor duikeenden.

 

20:35 Gepost door johan in abc van schaaldieren | Permalink | Commentaren (0) | Tags: schelpdieren | |  del.icio.us | | Digg! Digg |  Facebook | |  Print |

adderzeenaald

Entelurus aequoreus / Adderzeenaald

 

Entelurus aequoreus (Linnaeus, 1758)

Nederlandse naam:
Adderzeenaald

Algemeen:
Zeenaalden zijn, zoals de naam al aangeeft, zeer langgerekte vissen. Hun snuit is verlengd en ze kunnen met hun kleine bekjes maar hele kleine prooien pakken. Die worden met een soort zuigbeweging naar binnen getrokken. Ze hebben een uitwendig skelet, bestaande uit beenplaten, die bijna ringen vormen. Dat kan ze een geringd uiterlijk geven. De groep is bijzonder omdat de mannetjes een broedbuidel hebben. Ze hebben, op een rugvin na, nauwelijks vinnen.

Beschrijving:
Het mannetje van de adderzeenaald wordt zo'n 65 cm lang, het vrouwtje slechts 40 cm. De staartvin is heel klein, en de rugvin staat nogal ver naar voren. Borstvinnen heeft het volwassen dier helemaal niet, maar jongen hebben die nog wel. Deze soort is direct herkenbaar aan zijn kleurpatroon: hij is lichtbruin, met een groot aantal verticale streepjes die lichtblauw iriserend zijn en elk aan weerszijden nog eendonkere streep hebben. Dit zijn de randen van de lichaamsringen van het skelet. Vanaf het kieuwdeksel loopt een horizontale, donkere (bruine of rode) lijn door de ogen heen tot voor op de snuit.

Voedsel:
Vooral kleine kreeftachtigen uit het plankton, zoals aasgarnalen.

Voortplanting:
De paaitijd is in de zomer. De vrouwtjes leggen zo'n 400 tot 1.000 eitjes, die tegen de buikwand van het mannetje worden geplakt. Want deze soort heeft geen echte broedbuidel. Het vrouwtje doet dit in hetzelfde seizoen ook nog bij diverse andere mannetjes. Zo bereikt ze een goede kans op overleving van in elk geval een deel van haar kroost. Als de jongen ruim 1 cm lang zijn verlaten ze de vader.

Leefgebied:
Van de wateroppervlakte tot zo'n 30 m, maar ze zijn ook op 100 m diepte gevonden. Meestal tussen grote bruinwieren of andere wiersoorten. Als je ze in volle zee tegenkomt, zwemmend vlak onder de oppervlakte, dan is er altijd wel een drijvende pluk wier in de buurt.

 

20:33 Gepost door johan in abc van schaaldieren | Permalink | Commentaren (0) | Tags: schelpdieren | |  del.icio.us | | Digg! Digg |  Facebook | |  Print |