woensdag, 28 februari 2007

de geschiedenis van Adinkerke en De Panne

Het grondgebied van Adinkerke ligt tussen een oude en een jonge duinengordel. Wat nu "Cabour Duinen & Museum" heet (genoemd naar de vroegere Franse eigenaar), is wat overblijft van de oude duinen van Adinkerke-Ghyvelde (F), gevormd minstens 5 000 jaar geleden. Het huidige domein is in feite het enige dat aan de zogenaamde Duinkerke II-transgressie in de periode 250-650 na Christus of overstroming kon weerstaan. Het zeewater kwam dus tot hier, vandaar de kalkrijke oorsprong van het duinzand.

De bewoningsgeschiedenis van de jongere duinengordel tussen De Panne, het Staatsnatuurreservaat De Westhoek en Bray-Dunes (F) gaat terug tot de 5de eeuw voor Christus. In de late IJzertijd of La Tène-periode (van de 5de tot de 1ste eeuw voor Christus) leefden de mensen er van de veeteelt en de zoutwinning. Sporen van bewoning tijdens de Romeinse overheersing (van 70 na Christus tot 268 na Christus), werden hier eveneens aangetroffen. Op het einde van de 7de eeuw ontstond op deze plaats een bloeiende laat-Merovingische - Karolingische handelsnederzetting (Iserae Portus?). Het vormde een belangrijke schakel in het drukke toenmalige West-Europese handelsverkeer. Tussen de 10de en de eerste helft van de 13de eeuw situeerde zich hier een middeleeuwse nederzetting. De mensen hielden er zich voornamelijk bezig met veeteelt, akkerbouw en strandvisserij. Daarna werd het gebied tussen de jonge duinengordel en de zee verlaten.

De huidige duinvorming gebeurde tussen de 9de en de 12de eeuw. Deze streek maakte inmiddels deel uit van de grafelijke domeinen. Het polderlandschap kwam er in de loop van de 12de eeuw economisch tot ontwikkeling. De vruchtbare grond was immers uiterst geschikt om aan landbouw te doen. Het is ook gedurende deze periode dat Adinkerke ontstaat.

In de loop van de 11de eeuw werd het gebied rondom Veurne opgenomen in de kasselrij Veurne-Ambacht. "Adenkercka" is de - tot nog toe - oudst gekende vorm van de plaatsnaam Adinkerke en komt voor in een pauselijke bulle van 4 oktober 1123. Dat impliceert dat de streek reeds eerder - voor 1123 - bevolkt moet zijn geweest.

Kaart DumontwijkDe Adinkerkse economie was dus gedurende eeuwen uitsluitend op landbouw en veeteelt afgestemd. Enkele historisch gegroeide hoeven herinneren hier nog altijd aan. Adinkerke had een veelbelovende toekomst voor zich... De voortdurende bedreiging van onderstuiving van landbouwgronden door zand, de vele oorlogen en socio-economische problemen zorgden ervoor dat de aangroei van de relatief kleine dorpsgemeenschap steeds is uitgebleven. In 1469 telde Adinkerke ongeveer 400 inwoners; 529 inwoners in 1759.

Voor 1553 was Adinkerke een parochie van het bisdom Terwaan (F), na 1553 van het bisdom Ieper, vanaf 1801 van het bisdom Gent en sinds 1834 van het bisdom Brugge.

In de eerste helft van de 17de eeuw, onder de aartshertogen Albrecht en Isabella, kenden onze gewesten een periode van voorspoed. Tussen 1619 en 1627 legde schilder, architect, economist en ingenieur Wensel Cobergher de Moeren (3 500 ha) droog. Rond 1640 werd de nieuwe vaart van Veurne naar Duinkerken (F), het zogenaamde Nieuw Gedelf, voltooid.

Al vlug volgden echter pest en rampspoed. Ook onder het Oostenrijkse bestuur ging het Adinkerke niet voor de wind, en tijdens de Franse Revolutie vielen de Fransen de streek herhaaldelijk binnen. De Sint-Audomaruskerk is hiervan een schoolvoorbeeld. De wijding van de oorspronkelijke kruiskerk gebeurde in 1120 door Jan van Waasten, bisschop van Terwaan. In 1567 werd ze, met uitzondering van de toren en het transept, door de geuzen vernield. De hugenoten hielden er lelijk huis in 1657, en in 1793 staken de Franse troepen de kerk in brand. De huidige neogotische hallenkerk werd omstreeks 1855 opgetrokken.

In december 1782, onder het Oostenrijks bewind, richtte keizer Jozef II een brief aan de gemeenten rond de kuststreek waarin hij hen met aandrang verzocht de kustvisserij te stimuleren. Zes vooraanstaande burgers van Veurne, waaronder burgemeester Ferdinand De Man en griffier Norbertus Marrannes, vatten het plan op om in een duingebied dat ze "Kerckepanne" noemden, een vissersnederzetting uit te bouwen. Dit gehucht, dat later ook wel "Josephsdorp" genoemd werd, situeerde zich tussen de jonge duinengordel en de zee. Vandaag zou het zich bevinden in De Panne aan de Veurnestraat, meer bepaald tussen de Zeelaan en de Kasteelstraat. Op 23 juni 1783 volgde de keizerlijke goedkeuring en begin januari 1784 stelden de zes vennoten de statuten van de "Societeyt van de Kerckepanne" op. Na 1789 stierf deze maatschappij evenwel een zachte dood.

De huidige route Veurnestraat-Koninklijke Baan-Leopold I Esplanade, de eerste Zee-laan als het ware, kwam voor 1788 tot stand. De kleine vissersgemeenschap werd in februari 1789 bij de parochie Adinkerke gevoegd en maakte vanaf 1799 administratief deel uit van de gemeente Adinkerke. In de duinen van het gehucht De Panne, grondgebied Adinkerke, zette Leopold van Saksen-Coburg op 17 juli 1831 als eerste Koning der Belgen voet op Belgische bodem.

Grootgrondbezitter en filantroop Pieter (Pierre) Louis Antoine Bortier (Diksmuide 1805 - Brussel 1879) erfde rond 1830 ongeveer 650 ha duingrond in De Panne. In mei 1831 opende hij er het eerder primitieve Pavillon des Bains. Deze ontmoetingsplaats van de Veurnse en Engelse "beau monde" bevond zich aan de huidige Leopold I-Esplanade. Een tiental jaren later bouwde hij in de buurt van het Pavillon des Bains een eigen zomervilla in Italiaanse stijl.

Pieter Bortier was een man met een sterk ontwikkeld sociaal gevoel. Hij was het die als een van de eersten met het idee speelde om, in de duinen van De Panne, voorzieningen voor behoeftige kinderen aan te leggen. Het project werd echter nooit gerealiseerd. Pieter Bortier leverde evenwel enorme inspanningen voor de verbetering van het lot van de kleine, verarmde vissersgemeenschap van De Panne. We stellen vast dat vanaf het midden van de 19de eeuw de haringvangst bloeide en het vissersdorp groeide. De huidige parochiekerk Sint-Pieters was oorspronkelijk een kleine kapel, gebouwd door toedoen van weduwe Emilie Calmeyn-Bortier, de zuster van Pieter Bortier, ten behoeve van het vissersvolk. De weg Adinkerke-De Panne werd in 1892 geplaveid. De bekendste visser van De Panne is vandaag Petrus Decreton (1853-1939), bijgenaamd Pier Kloeffe. Hij ging tot negen maal met een "galette" op IJslandvaart.

Hoewel De Panne geen haven bezat, had het rond 1900, na Oostende, de grootste vissersvloot van de hele Vlaamse kust. De typische "panneschuiten" (boten met een platte bodem) moesten dan ook telkens weer op het strand worden getrokken. Met de dood in 1911 van pastoor Seraphyn Dequidt, die sinds 1906 een grote voorvechter was van het project "De Panne-Schuilhaven", viel de droom van een eigen haven definitief aan diggelen. De vissers weken uit, wat de teloorgang van de visserij tot gevolg had.

Vanaf het midden van de 19de eeuw vonden ook de eerste toeristen hun weg naar De Panne. Aanvankelijk stuitte deze ontwikkeling op tegenstrijdige standpunten. Pieter Bortier was het ontluikende toerisme niet genegen, hij remde het zelfs doelbewust af.

Sinds 5 februari 1870 was de spoorlijn Lichtervelde-Adinkerke - Duinkerken in gebruik. Op hetzelfde ogenblik kwamen in de nabijheid van het Pavillon des Bains een eerste kursaal (een houten loods op palen) en enkele paviljoenen, alsook verschenen de eerste hotels en pensions rond de huidige kruispunten Veurnestraat/Kerkstraat en Zeelaan/Zeedijk. De Panne werd een ontmoetingsplaats van kunstschilders zoals François Musin, Louis Artan, Armand Heins en letterkundigen als Hendrik Conscience, Karel Van de Woestijne. Kunstenaars leefden er als kluizenaars-van-de-zee.

Nieuwe grootgrondbezitters, waaronder de familie Ollevier, waren het toerisme wel genegen. Op initiatief van Pedro Ollevier, directeur van de Veurnse Nationale Bank, realiseerde de Franse aannemer Arthur Bonzel rond 1892 de huidige Zee-laan. Deze cruciale verbindingsweg tussen "het dorp" (kruispunt Veurnestraat/Kerkstraat) en "de zee" week af van het meer traditionele geometrische patroon. De weg omzeilde in een sierlijke bocht de Kykhill-duin. Dit project vormde de ruggengraat voor de verdere urbanistische ontplooiing van de badplaats. En tegen het einde van de 19de eeuw was ook in De Panne de vooruitgang niet meer te remmen.

Tussen 1892 en 1913 kwam onder leiding van de Brusselse architect Albert Dumont (Neufchâteau 1853 - Sint-Gillis 1920), bijgestaan door andere architecten als zijn stadsgenoot Georges Hobé (1854-1936) en de Kortrijkzaan Jozef Viérin (1872-1949), de eerste globale urbanisatiefase van De Panne tot stand. Alexis Dumont, een zoon van Albert Dumont, tekende in 1902/04 het aanlegplan van de verkaveling uit. Aldus ontstond de pittoreske "Dumontwijk".

Aan de grondslag van het project lag de toen vanuit Engeland opkomende "tuinwijk"-gedachte, met dien verstande dat het oorspronkelijke sociale basisprincipe, hier plaats moest ruimen voor een elitaire en speculatieve vorm van vakantieverblijf. Kenmerkend voor deze pittoreske urbanisatie was de inplanting met respect voor het natuurlijke duinreliëf van een nieuwe woonvorm, de landelijke "cottage". De alleenstaande, geïndividualiseerde cottages of duinhuisjes, middenin goed geproportioneerde percelen (tuinen), getuigden van een praktische en rationele architectuur.

De "charmante" Dumontwijk vormde een waardig alternatief ten opzichte van de "stedelijke" commerciële assen Zeelaan-Duinkerkelaan - Nieuwpoortlaan. Deze assen werden gekenmerkt door heterogene lintbebouwing, soms met neobarokke en regionale neo-Vlaamse renaissancistische invloed, soms in Art Nouveau- of Art Decostijl.

Mevrouw Eugenie Terlinck-Baelden, bijgenaamd "La mère de La Panne", speelde een niet onbelangrijke rol bij de verdere uitbating van de toeristische infrastructuur. Onder haar impuls groeide op de hoek van de Zeelaan en de Zeedijk chalet Terlinck uit tot een vermaard hotel. Om haar hotelgasten af te halen organiseerde ze vanaf 1894 per koets het traject station Adinkerke-hotel Terlinck. Vanaf 1901 verbond een paardentram het station met het hotel. De elektrische tramlijn Oostende-De Panne was in 1928 een feit. De "Koninklijke Baan", gestart onder impuls van koning Leopold II, bereikte De Panne pas in 1933.

In De Panne werd de eerste moderne zeilwagen gebouwd. We schrijven 1898! Het was een creatie van de gebroeders André en Benjamin Dumont. Wat begonnen was als een spel, groeide uit tot een sport. In 1909 werden op het strand van De Panne de eerste wedstrijden georganiseerd.

In 1907 vaardigde de gemeente Adinkerke het eerste badreglement uit. Op 24 juli 1911 werd het gehucht De Panne officieel van Adinkerke afgescheiden. Een nieuwe zelfstandige gemeente was geboren. Ondertussen groeide de bevolking van De Panne gestadig aan. In 1887 telde De Panne 1 310 inwoners; 2 900 inwoners in 1911; 4 541 inwoners in 1936; 5 381 inwoners in 1946. In 1926 kreeg De Panne een nieuwe parochie die onder bescherming van Onze-Lieve-Vrouw werd geplaatst. De bouw van de neoromaanse kerk werd pas in 1937 voltooid.

De Panne speelde in beide wereldbranden een niet te miskennen rol. Vandaag herinneren nog een aantal eerbiedwaardige symbolen in onze gemeente aan deze zwarte bladzijden uit de vaderlandse geschiedenis. Tijdens de Eerste Wereldoorlog deed het Grand Hôtel de L'Océan op de Zeedijk dienst als fronthospitaal onder de leiding van de Brusselse chirurg Antoine Depage. Gedurende deze periode verbleef de koninklijke familie in De Panne. Het is dan ook van hieruit dat koning Albert I de Belgische troepen leidde, terwijl de Belgische regering zich in Le Havre (F) vestigde. Het Memoriaal Dunkirk Veterans op de Leopold I Esplanade werd in 1977 opgericht ter nagedachtenis van de Operatie Dynamo, die in mei 1940 meer dan 330 000 geallieerde soldaten op de stranden tussen De Panne en Gravelines (F) evacueerde.

Ook De Panne bleef in de jaren '70 niet gespaard van bouwspeculatie en net als 100 jaar geleden vroeg men zich toen af of het toerisme al dan niet een bedreiging vormde voor het natuurlijke kustpatrimonium. Vandaag probeert het Duinendecreet hierop een antwoord te formuleren. Geleidelijk aan heeft De Panne zich dus ontwikkeld van vissersdorp tot een op het toerisme en de handel afgestemde gemeente. Door de speling van het lot werd op 1 januari 1977 de landelijke moedergemeente Adinkerke gefusioneerd met De Panne.

17:43 Gepost door johan in maritieme gechiedenis | Permalink | Commentaren (0) | Tags: de panne, adinkerke, geschiedenis, visserij, de kust | |  del.icio.us | | Digg! Digg |  Facebook | |  Print |

maritieme geschiedenis van belgië (wikipedia)

Vroege geschiedenis

In 55 v. Chr. begon Julius Caesar aan zijn invasie van Groot-Brittannië vanuit Portus Itius (het tegenwoordige Boulogne-sur-Mer), een gebied dat beheerst werd door de Morini en de Menapiërs. Deze invasie verliep weinig succesvol, waarop hij tijdens de winter schepen liet bouwen. Het jaar erop voer hij met een vloot van meer dan 800 schepen opnieuw naar Groot-Brittannië. Deze keer had hij meer succes, maar moest terugkeren vanwege onrust in Gallië.

Middeleeuwen

Brugge werd in de late middeleeuwen de belangrijkste haven en handelscentrum van Noord-Europa. Overigens had Vlaanderen weinig eigen scheepvaart. De meeste schepen in Brugge en de voorhavens Damme en Sluis voeren onder vreemde vlag. Het Waterrecht van Damme, gebaseerd op de Rôles d'Oléron, regelde de maritieme wetgeving in de Lage Landen. De Hanze vestigde een kontor in Brugge. Door verzanding van het Zwin verloor Brugge zijn positie aan het einde van de 15e eeuw aan Antwerpen.

Spaanse tijd

Karel V zorgde voor stabilisatie in de Nederlanden, zodat de handel en de scheepvaart al snel op het oude niveau lag. Antwerpen bloeide op en werd de grootste stapelplaats van Europa, tot het na 1585 wegkwijnde onder de Spaanse dominantie. De Tachtigjarige Oorlog betekende het einde van de bloei. De stad werd in 1576 op 4 november helemaal leeggeplunderd door de Spanjaarden tijdens de Spaanse Furie en de Westerschelde werd afgesloten door de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën. Hierdoor trokken veel Vlaamse en Brabantse kooplieden en geleerden naar de noordelijke provincies met hun kapitaal, hun handelsrelaties en hun kennis.

Tijdens de opstand wisten de rebellen op den duur bijna alle havensteden in handen te krijgen. De katholieke vloot kon eerst alleen uit Grevelingen opereren, maar werd door de Hertog van Parma in 1585 naar Duinkerken verplaatst, dat hij in 1583 heroverd had. Eerst bestond deze vloot uit koningsschepen, dus marineschepen van de koninklijke vloot, maar die werden al snel aangevuld door particuliere reders die een kaperbrief bemachtigden van de Hoge Admiraliteitsraad te Brussel. In ruil voor zo'n vergunning moest men tien percent van de buit afdragen als belasting en 35% schenken (dus ten bate van het eigen zieleheil) aan de armenzorg. Al snel werd zo'n enorme schade toegebracht aan de scheepvaart van de Unie van Utrecht dat de Staten-Generaal in 1587 besloten de Duinkerker Kapers als zeerovers te behandelen en het recht van voetspoeling toe te passen, dat wil zeggen: gevangengenomen bemanningsleden van kaperschepen zonder enige vorm van proces overboord te gooien of knuppelen. Desondanks bleven de kapers een ware plaag voor de Nederlandse scheepvaart, die met tussenpozen tot het einde van de 17e eeuw zou voortduren.

Door Simon Stevin werd de Wet van Archimedes opnieuw ontdekt. Met Nova et Aucta Orbis Terrae Descriptio ad Usum Navigatium Emendate, de werelkaart van Mercator uit 1569, werd de mercatorprojectie bekend, van groot belang voor de scheepvaart, omdat een lijn van constante kompaskoers op de kaart een rechte lijn is.

Geïnspireerd door het succes van onder andere de VOC werd op 19 december 1722 de Oostendse Compagnie opgericht. De eerste vier schepen van de Compagnie voeren van Oostende uit op 10 februari 1724; twee waren bestemd voor China, één voor Bengalen en één voor Mokka. Weldra werden ook factorijen opgericht in Banquibazar en in Bhourompour.

De handelsactiviteiten richtten zich op twee gebieden: China en Bengalen, waarbij de Chinahandel de belangrijkste was. De Oostendse Compagnie was de eerste van het West-Europese vasteland die zich volledig toelegde op de handel met Kanton. De heenlading van de compagnieschepen bestond meestal uit zilverpiasters en lood als scheepsballast. De retourladingen bestonden uit zwarte Boelthee, zijden stoffen uit Nanking, porselein en chinoiserieën.

Met betrekking tot de theehandel heeft de Oostendse Compagnie de VOC ver achter zich gelaten. Zij kocht te Kanton de betere soorten op, de tweede keus werd naar Batavia verscheept, waarbij bovendien door slechtere verpakkingen en extra overladen de kwaliteit nog verder werd geschaad. De aanvoer van thee te Oostende was dan ook zeer belangrijk: tussen 1725-28 werd te Oostende 58% van de aanvoer van thee in West-Europa geveild. Het octrooi werd op 31 mei 1727 door het Preliminair Verdrag van Parijs voor de duur van zeven jaar geschorst. De genadeslag kwam tenslotte op 16 maart 1731, toen de Oostendse Compagnie definitief verboden werd door het verdrag van Wenen. Niettemin duurde haar activiteit voort tot in 1777.

Verenigd Koninkrijk der Nederlanden

Tussen 1815 en 1830 was de Antwerpen de belangrijkste haven van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. In het begin van de 19e eeuw kende Antwerpen een opvallende economische groei. John Cockerill richtte in 1824 Cockerill Yards op.In 1828 werd met financiële steun van Willem I via de Nederlandsche Handel-Maatschappij in Antwerpen Bureau Veritas opgericht. In 1829 telde de vloot van de zuidelijke Nederlanden 182 schepen van in totaal 27.000 registerton. Dat was een zevende van de vloot van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Reder Saportas opende in 1828 een lijndienst Antwerpen-Brazilië.

België

Na de Belgische Revolutie van 1830 en de daaropvolgende Scheldetol (afgekocht in 1863) emigreerden meerdere Vlaamse reders naar Vlissingen. De Belgische onafhankelijkheid leidde tot stagnatie. In 1858 werd de rederij Cockerill opgericht, Armement Deppe volgde in 1860, Navigation Belgo-Américaine (beter bekend als de Red Star Line) in 1872. De volgende vijftig jaar reisden 2,3 miljoen emigranten met de Red Star Line naar Amerika. In 1935 werd de onderneming ontbonden. De eerste grote reders in Antwerpen waren Engelsen en Duitsers.

Bij het begin van Kongo-Vrijstaat in 1885, de privé-kolonie van Leopold II, bestond er geen rechtstreekse Belgische scheepvaartlijn. De Compagnie Gantoise de Navigation werd opgericht voor de vaart op Centraal-Afrika. Een langdurig succes werd de CGN niet. In 1895 werd de Compagnie Belge Maritime du Congo opgericht. Het zou de belangrijkste rederij in België worden. Aanvankelijk bestond de vloot uit schepen die in het Verenigd Koninkrijk gebouwd waren en bemand werden door Engelsen.

In 1897 wordt met de Belgica een expeditie ondernomen naar Antarctica tijdens de Belgische Antarctische Expeditie.

In 1900 telde de Belgische koopvaardijvloot zeven zeilschepen en 73 stoomschepen. België stond op de zeventiende plaats van de wereldranglijst.

Dankzij Albert Thys kreeg CBMC in 1910 een meer Belgisch karakter. Er kwam een overeenkomst tussen de Britten, de Duitsers en de nieuwe Belgische bazen over een verdeling van de vracht en de passagiers, waarmee verhinderd moest worden dat de Belgische Compagnie door zware concurrentie van de kaart zou worden geveegd.

De Eerste Wereldoorlog vernietigde 40 % van de Belgische handelsvloot. Armement Deppe vervoerde tijdens de oorlog 62 % van de hulpgoederen van de Amerikaanse Commission for Relief naar België. Lloyd Royal Belge werd in 1916 gesticht. De Lloyd Royal Belge kende tot 1920 een uitzonderlijke bloei, maar werd overgenomen door de CMB door de crisis van 1930. De naam veranderde in Compagnie Maritime Belge (Lloyd Royal). CMB had de helft van het Belgische tonnage in bezit. Hierna werd niet alleen op Kongo gevaren, maar op de gehele wereld.

Aan de vooravond van de Grote Depressie telde de Belgische vloot opnieuw 202 schepen (543.000 ton). Cobelfret werd in 1939 opgericht vlak voor de Tweede Wereldoorlog. In 1940 kwam CMB onder Duits beheer. De vloot lag deels in vrij en deels in bezet gebied. De CMB-directie bedong dat de bezetter haar eigendomsrechten intact hield. CMB-schepen werden ingezet in beide kampen. 294 zeelieden van CMB verloren het leven op zee door de oorlog. CMB verloor 23 van de 31 schepen. Daaronder was de Léopoldville die getorpedeerd werd in Het Kanaal, zo’n vijf mijl van Cherbourg op kerstavond, 24 december 1944 door de U 486. Totaal gingen 56 schepen verloren gingen en stierven 900 matrozen en officieren. Na 1945 vloeiden aanzienlijke toelagen naar een jonge en vernieuwde vloot.

De onafhankelijkheid van Belgisch-Kongo in 1960 leidde tot een complete verrassing van het Belgische bedrijfsleven, waaronder CMB. De handel met Kongo kreeg een zware schok. De overname van Armement Deppe in 1960 was de eerste reactie van CMB op het Kongolese debacle. Deppe was de tweede grootste Belgische lijnrederij. CMB nam in 1961 Ufimar over en verwierf ruimere financiële middelen plus deelnemingen in SAIT en McAllister Rowing en Island Tug & Barge, twee Canadese ondernemingen in de sleepvaart, redding en riviertransport. In 1968 stapt CMB in het Dart-consortium. De drie schepen van Dart Container Line behoren op dat ogenblik tot de grootste ter wereld.

De IJslandvaart was een roemruchte periode in de Belgische visserij.

België neemt een vooraanstaande positie in in de baggerij met Jan de Nul en Deme.

17:12 Gepost door johan in maritieme gechiedenis | Permalink | Commentaren (0) | Tags: geschiedenis, belgie, zee, schepen, boten, maritiem | |  del.icio.us | | Digg! Digg |  Facebook | |  Print |