dinsdag, 19 februari 2008

onstaan van onze kust

 foto3

Reeds zeer lang geleden in het Tertiar vormde de Atlantische Oceaan een ondiepe bocht met als grenzen Schotland en Engeland aan de westzijde. Noorwegen, Helgoland en het Teutoburgerwoud aan de oostzijde. De zuidgrens van deze warme zee waarin tropische planten en dieren leefden werd gevormd door het krijtland van Zuid-Limburg en de heuvels van Normandië die in deze periode nog samenhangen met de krijtrotsen van Dover en de gebergten van Zuid-Engeland. Het Nauw van Calais en Het Kanaal bestonden nog niet. In een volgende periode, het Plioceen, verplaatste de zuidelijke kustlijn zich naar het noorden. Dit verschijnsel vond zijn oorzaak in een daling van de zeespiegel en was een gevolg van een naderende ijstijd waarin enorme hoeveelheden ijs werden opgestapeld in de poolstreken en op de gebergten.  In deze tijd kronkelden de Rijn en de andere rivieren door een uitgestrekte delta noordwaarts zodat zelfs de Rijn zijn gesteente in het oosten van Engeland kon deponeren. Gaandeweg namen de gletsjers van Schotland en Scandinavië dermate in omvang toe dat ze in het noorden de toegang tot de Atlantische Oceaan geheel afsloten. Zo konden Thames, Schelde, Maas, Rijn en andere rivieren een uitgetrekt stuwmeer vormen. Het oppervlak hiervan rees geleidelijk tot zich uiteindelijk een overloop vormde in het laagste gedeelte van de Normandische heuvels. Het Nauw van Calais en Het Kanaal ontstonden. Na eeuwen had er weer een klimaatsverandering plaats. Het werd warmer. De ijsbarrière in het noorden smolt weg. Op de plaats van de Noordzee onstond een andere zee: de zogezegde Eemzee die gedurende een korte periode  in verbinding stond met de Atlantische Oceaan. Later volgede een nieuwe ijstijd en weerom was de zee gedwongen zich terug te trekken waardoord zelfs de tegenwoordige Doggersbank een deel van het land uitmaakte zoals blijkt uit vondsten van mammoettanden en andere dierresten. Op een diepte van 20 meter kan men de overblijfselen van deze periode in de Noordzee aantreffen. Doch toen ook deze ijstijd verdween hernam de Noordzee haar vroeger gebied. Het is voornamelijk in deze periode dat het grootste deel vab de bodem in Frankrijk, België, Nederland en Duitsland is gevormd. Van de smeltende gletsjers stroomden reusachtige rivieren met onstuimige kracht zeewaarts en de bruisende stromen sleepten miljoenen kubieke meters stenen, grint, zand en slib mee welke op enige afstand van de kust bezonken en langzaam maar zeker een deel van de destijds bestaande zee demten. Allereerst ontstond er toen en formatie evenwijdig aan de kust: een uitstrekkende reeks van zandbanken zoals we die heden nog aan de Duitse Oostzeekust kunnen waarnemen. Een zogenaamde schoorwal waarachter zich een ondiepe binnenzee of half uitstrekte en waarvan de grote rivieren dit half opvulden met hun bezinksel (hoogstwaarschijnlijk zijn er vier ijstijden geweest). Destijds waren de factoren voor de duinvorming uitermate gunstig zodat de bovengenoemde reeks van zandbanken opgegroeid is tot de typische duinenrij die de karaktertrek van onze kust vormt. Vooreerst hadden de reusachtige stromen uit die periode: de Rijn en de Maas, ontzaglijke hoeveelheden zand en slib aangevoerd. Verder ontbrak de schurende getijdenstroom die nu aan onze kust afvreet bijna geheel doordat het Nauw van Calais nog niet bestond. Ook was de windrichting in het postglaciale tijdvak oostelijk zodat de geweldige wester- en noordwesterstromen die nu onze duinengrodel met vernieling bedreigen bijna niet voorkwamen. De grote vochtigheidstoesand die het toenmaals heersende klimaat kenmerkte werkte een weelderige plantengroei in de hand die noodzakelijk was voor de vorming van duinen. Laten we eens nagaan hoe de duinen kunnen ontstaan zijn. Bij elke vloed overdekten de golven de reeds opgedoken zandbanken met een dun laagje zand dat bij eb opdroogde en waarvan de losse korrels heen en weer geblazen werden door de heersende winden. Waar een hindernis lag, een schelp, een richel ( door de wind zelf gemaakt) of iets anders, kon een bergje ontstaan dat zelfs een vrij aanzienlijke hoogte kon bereiken. Maar tot een vast duin zoals wij die thans langs onze kust kunnen waarnemen kon dit bergje nooit opgroeien. Voor het veranderen van stuifduinen in vaste duinen was een werkende, bindende kracht nodig en deze werd geleverd door de planten. Nu is het wel waar dat slechts weinig planten in staat zijn te groeien onder de ongunstige voorwaarden waaraan zij ijn de onmiddellijke nabijheid van de zee op zand zijn blootgesteld. Maar enkele soorten gedijen er toch goed en aan het is het dat wij het ontstaan van duinen te danken hebben. De plant die overal aan onze kust de spits heeft afgebeten en het nog op veel plaatsen doet is het biestarwegras of kweekgras ( Triticum Junceum). Deze plant wist er zicht te vestigen en bond het opgewaaide zand te samen door zijn kruipende wortelstokken en lange duinlopers. Ze hield bovengrond de korreltjes tegen welke de wind steends tegen het gevormde heuveltje opblies. Wel poogden de stormen deze pionier onder het zand te verstikken en dit lukte vaak na een lange worsteling, doch dan was de bodem genoeg verhard en uitgeloogd om een bestaan te schenken aan planten als zeepostelein ( Ammadenia peplaides), een helm ( Ammophila arenaria) en andere die voortgingen de verkregen verovering te consolideren en uit te breiden. Stellig is deze duinvorming gedurende enige eeuwen op de hierboven geschetste manier zo dorgegaan to zich weer een doorbraak van het Nauw van Calais vormde waardoor de Noordzee haar tegenwoordige gedaante gekregen heeft? Deze doorbraak heeft een noodlottige invloed gehad op de pasgevormde duinenreeks. Met haar ontstaanis de vernieling begonnen van deze duinengordel die wij tot op heden kunnen waarnemen. Toch is dit het geval. De vloedgolf komt via de Atlantische Ocean opzetten naar Europa. Ze stuit tegen de Ierse, Engelse en Schotse kusten en stroomt langs het noorden en het zuiden de Noordzee binnen. De zuidelijke vloedgolf legt een korte weg af, loopt over ondiepten in het Nauw van Calais heen en verandert daar gedeeltelijk in een krachtige stroming die met grote snelheid langs de kust naar het noorden loopt. Werd deze nu maar geneutraliseerd door de noordelijke golf! Maar deze komt later aan, stuit dan op de ondiepten van de Doggersbank en vloeit uitendelijk als een tamelijke zwakke stroming naar ons land toe, in een richting vrijwel loodrecht op de kust en heeft de kracht niet meer de schurende werking van de zuiderstroom tegen te gaan. Verder had er een verandering plaats in de windrichting, deze ging namelijk van oost naar west en zo is, misschien geheolpen door een daling van het land, de vernieling begonnen van de vroeger opgebouwde schoorwal. Overal waar de vloedgolf een hoogte van meer dan 1,5 meter bereikte werden er gaten ingeslagen waardoor het water een weg vond naar binnenzeeën en geulen vormde zoals de Waddenzee, de vroegere Zuiderzee en andere. De fragmenten van de schoorwal bleven op veel plaatsen als eilanden achter. De huidige Noordzee ontstond ca. 6000 VC. Tot op heden duurt deze strijd tussen duinenreeks en de elementen voort. Dat de zee in historische tijd terrein gewonnen heeft is zeker. Toch neemt dit niet weg dat de plantenwereld dapper standhoudt en dat er ook nog nieuwe duinen gevormd worden (Zeebrugge-Heist). Maar over het algemeen hebbende formaties die heden ten dage aan onze kust plaats vinden meer het karakter van zandverplaatsing dan van duinvorming. Het beeld van ontstaan is dus in sterke mate bepaal door regressie en transgressie waarbij sinds circa het jaar 1000 ook de mens een rol speelt.

 

 

 

 

Tekst foto's

3.            De wind heeft door de eeuwen heen de vorm van de duinen bepaald.

4.            Soms is de zee royaal en brengt zoveel zand dat een honderden meters breed strand ontstaat.

5.            Wind en zand bepalen samen de vorm. Al gauw vestigt zich het taaie biestarwegras dat viir verdere duinvorming zorgt en wordt het duin snel groter. Helmgras doet zijn intrede en wordt de belangrijkste plant bij de duinvorming

6.            Duinen zijn niet alleen natuurgebied, ze dienen ook als zeewering voor een groot deel van onze kust.

7.            Juist omdat de duinen zo mooi zijn hebben velen de behoefte erheen te trekken om van als dat moois te genieten. Wandelaars zijn graag geziene gasten

foto7

19:35 Gepost door johan in maritieme gechiedenis | Permalink | Commentaren (0) | Tags: kust, geschiedenis, ontstaan kust, vlaamse kust, belgische kust, noordzee, zee, duinen | |  del.icio.us | | Digg! Digg |  Facebook | |  Print |

vrijdag, 02 november 2007

's mensen oudste delicatesse

 krab p8

Wie de geschiedenis van de vruchten der zee tot op de bodem wil uitspitten stoot niet op geschriften, maar op graniet. Of, om nauwkeuriger te zijn, op insluitsels in het gesteente. Op de onmiskenbare vormen van tweekleppi-gen en slakken, krabben en kreeften. En die vindt men in ons tijdsgewricht in steengroeven, op met keien bezaaide hellingen, onder rotswanden. De fossielenverzamelaars weten daar alles van. Want zeer vele eeuwen geleden was er zee waar nu land is en daarin leefden vissen, schaal- en schelpdieren. Door onvoorstelbaar hevige tektonische be­wegingen werden in het verre verleden land, bergen en zee verschoven. Zeeën en rivieren vonden een nieuwe bed­ding, bergen werden bij wijze van spreken opgevouwen. En de vruchten der zee raakten ingesloten in het gesteente. Maar hun contou­ren, hun vormen, bleven tot op de dag van vandaag bewaard.Ook al kan ons verstand het nau­welijks bevatten, toch is aangetoond dat het aantal zee­dierensoorten mil­joenen jaren gele­den al in de dui­zenden liep. Dit waren onder ande­re armpotigen, koppotigen en zeesterren. En pas nadat de zeeën en rivieren allang we­melden van de vis­sen, kwamen de tweekleppigen tot ontwikkeling.Men kan er veilig van uitgaan dat reeds de oermens oesters slurpte. Eerstgenoemde was tussen twee haakjes al in het Tertiair veranderd van een viervoeter in een tweevoeter. En hij profiteerde daar onmiddellijk van door een scherp-gepunte speer ter hand te nemen. Niet alleen om ermee op wild te jagen, maar ook om er vissen aan te spietsen. En ten slotte gebruikte hij ook nog zijn handen om oesters van hun banken te plukken, om als hij de kans kreeg een kreeft te grijpen en om mosselen en zeeslakken te verzamelen. Zijn voedsel bestond uit wat de natuur te bieden had. Omdat zijn hersenomvang tijdens het Tertiair ook was toegenomen, kan men er rustig van uitgaan dat hij zich zoveel mogelijk beperkte tot de smakelijkste vruchten der zee. Tijdens het daarop volgende geologische tijdperk, het Diluvium, vertonen de mensachtige wezens - naar men heeft ontdekt - al intelligent gedrag. Hypothese: geenwonder met al die vruchten der zee die ze aten. Deze zijn immers zeer rijk aan biologisch hoogwaardige eiwitten. Aan krachtvoer voor alle cellen van het menselijk organis­me, dus ook voor de hersencellen. Tenslotte nemen de historici aan dat in de Voor-Steentijd de ontwikkeling van de menselijke spraak op gang kwam. Wat weer tot de veronderstelling leidt dat onze verre voorvaderen hun tijdgenoten niet alleen door gebarentaal, maar ook door middel van een soort van spreektaal duidelijk konden maken op welke plekken een rijke oogst aan rijkdommen van de zee of dito van de rivier te vinden was. En na de komst van het vuur - zoals wetenschappelijk is aange­toond zo'n 500 000 jaar geleden - kon men eindelijk ook van zaken die rauw niet al te best smaken, iets lekkers bereiden. Tal van andere vruchten der zee, aan een spiesje boven een open vuurtje ge­roosterd, ver­mochten nu ook het gehemelte te strelen. De ge­schiedenis van de kookkunst ver­loopt dan ook pa­rallel aan die van het gebruik van het vuur. De mens leerde hoe hij ipéér kon maken van grondstoffen. Zo waagden de Egyp-tenaren zich in de Oudheid aan aller­lei avontuurlijke bereidingswijzen van schaaldieren. En ook de Grieken, die zich langs de vele kusten van de Middellandse Zee vestigden, wisten gerechten van vruch­ten der zee te waarderen. Alleen de beroemde Griekse dichter Homerus was daar minder gelukkig mee. Alles wat de rivieren en zeeën opleverden, noemde hij botweg 'spij­zen der ellende'. Niet bepaald een kustbewoner, typisch een man van het 'binnenland'.Hoe anders ging het toe bij de Romeinen. Hun orgieën zijn spreekwoordelijk. En dat niet in de laatste plaats dank zij de geweldige hoeveelheden schelp- en schaaldieren die als voorgerecht werden opgediend. Wat ook nog een belang­rijke rol speelde was de exacte lokatie waar deze vruchten van de zee vandaan kwamen. Het meest gewaardeerd werden die welke afkomstig waren uit een stadje in de Pontinische Moerassen en van de kust van Tarente.
En ook de oogst van een van die kunstmatige oesterbanken, die men er in het antieke Rome op nahield. Reeds toen was het vooral de oester die schitterde. Met evenveel genot en overgave als in onze tijd slurpte men oesters. Dat wil zeggen, de bevoorrechten. Het volk moest genoegen ne­men met eenvoudiger tweekleppigen, want oesters waren onbetaalbaar. Wie in het oude Rome van mening was dat hij zijn stand moest ophouden en daarvoor de financiële middelen bezat, liet in zijn eetzaal een mozaïek aanbren­gen dat dé persoonlijke voorkeur op het gebied van de vruchten der zee weergaf - zoals kreeften en langoesten, garnalen en krabben en, vanzelfsprekend, oesters. Wat betreft de Romeinse fijnproever Marcus Caelius Api-cius (geb. 25 v. Chr.), deze maakte zich ook op het gebied van de schaaldieren verdienstelijk. En dat in het oudst bewaard gebleven kookboek, waarin hij intkvissen, gar­nalen, kreeften en tweekleppigen nog beter doet smaken door er sauzen bij aan te bevelen waarin precies de juiste kruiden zijn opgenomen of waarin hij ze verwerkt tot wat wij nu beignets zouden noemen. Hij verklapt ook hoe men door middel van een saus langoesten, geheel in de geest van de tijd, tot een absoluut hoogtepunt maakt. Zijn geheim: rijkelijk kummel gebruiken. Daar is hij ook niet bepaald zuinig mee in het negende deel van zijn (uit tien delen bestaand) werk, dat uitsluitend is gewijd aan de vruchten der zee.Welke eeuw men ook op culinair-historisch gebied door-vorst, vruchten der zee behoren in elk tijdperk tot de favoriete gerechten. Hiervan werd onder andere door de Galliërs vaardig geprofiteerd. Dit waren namelijk niet alleen goede jagers, maar ook uitstekende vissers en han­dige kooplieden. Langoesten en oesters, die welig tierden in hun kustwateren, behoorden dan ook tot hun belang­rijkste handelsartikelen. En hun grootste afnemers waren: de Romeinen! In de Middeleeuwen behoorden rivierkreeften in onze contreien tot de culinaire favorieten. Ze waren toen zo talrijk, dat de hoge heren hun personeel bij voorkeur rivierkreeft te eten gaven! Weer enkele eeuwen later trachtte men de feestdissen van de talloze Duitse vorstelijke hoven extra culinaire glans te verlenen door vruchten der zee te serveren. Dit echter met kwalijke gevolgen. De kwetsbare diertjes doorstonden namelijk de vele dagen vergende tocht van de verre kust naar het diepe binnenland niet al te best. En zo werden ze eerder een de gelederen van de Duitse adel uitdunnend gevaar dan een tongstrelend genot. Maar in de 18e eeuw was er niets meer dat de triomftocht van de vruchten der zee naar de tafels van de rijken en aanzienlijken in de weg stond. Hun glorietijd bereikten zij in het Frankrijk van de Rococo. En weer kwam de oester, die liefde-opwekkende eigenschappen werd (en nog wel wordt) toegeschreven op de eerste plaats. Vandaar dat men er bij het ontbijt meteen een dozijn tegelijk nam. Maar vooral Lodewijk XIV verleende deze tweekleppige koninklijke glans. Hij zou er namelijk, voordat hij in het huwelijk trad met Maria Teresia, zo'n 400 hebben genut­tigd. Hoe lang hij daarover heeft gedaan, vermeldt de geschiedenis niet. Met name in Duitsland was de 19e eeuw de eeuw van de rivierkreeft, die het toen tot volksvoedsel bracht - althans, voor degenen die zo gelukkig waren vlak bij heldere rivieren en beken te wonen. Zoveel rivierkreeft werd er toen gegeten, dat men de dienstbode niet meer dan eens in de week kreeft mocht voorzetten. Maar niet iedereen in Duitsland was zo gelukkig in de buurt van een rivier of beek te wonen, en de vraag was groot. Vandaar dat ene heer Micha - bijgenaamd de kreeftenkoning - vanuit Berlijn het hele toenmalige Duit­se rijk rivierkreeften ging leveren. Merkwaardig genoeg mestte hij ze in speciaal aangelegde kreeftentuinen vet met bieten. Maar zijn levende voorraad werd evenals het overi­ge Europese rivierkreeftenbestand in 1876 gedecimeerd door de kreeftenpest. Wat overigens Jlieodor Fontane er niet van weerhield in zijn in 1891 verschenen roman 'Frau Jenny Treibel' kostelijke Oderkreeft te laten opdienen. Hogwel de 'vruchten der zee' tegenwoordig aan vele nieu­we gevaren blootstaan, verschaffen ze de fijnproevers in ons tijdsgewricht wellicht meer vreugde dan ooit in het verleden.